Archeologisch onderzoek zal in de toekomst deels gefinancierd worden door een nieuw archeologisch ‘solidariteitsfonds’. Dat stelt Vlaams minister Geert Bourgeois voor in zijn conceptnota onroerend erfgoed, die sinds vandaag beschikbaar is op www.rwo.be. Projectontwikkelaars en bouwbedrijven zullen per ontwikkelde vierkante meter een vast bedrag afdragen aan het fonds. Zo wil de minister de financiële lasten spreiden over vele schouders. Vooronderzoek valt ten laste van de initiatiefnemer van de vergunningsplichte bodemingreep, en voor de financiering van het archeologisch syntheseonderzoek zal de Vlaamse Overheid jaarlijks de nodige middelen voorzien.
Voor het bepalen van de solidariteitspremie voor archeologisch onderzoek vertrekt Bourgeois in zijn voorstel vanuit de veronderstelling dat opgravingskosten toenemen naarmate het terrein archeologisch rijker is en dat de bijdrage uit het fonds in de kosten dus evenredig dient te stijgen. Om dit effect uit te vlakken en ondraaglijke lasten te vermijden, zal worden gewerkt met stijgende premies. Het totaalbedrag van de factuur van de erkende archeologische uitvoerder wordt opgedeeld in schijven, uitgedrukt in kostprijs per opgegraven m².
Bourgeois stelt voor om uit te gaan van een basisverantwoordelijkheid van de initiatiefnemer, waarbij een eerste schijf (het remgeld), tot een bepaald bedrag in euro per m², volledig ten laste valt van de initiatiefnemer. Op die wijze wordt een grote toestroom van aanvragen voor verwaarloosbare premies vermeden en wordt het veroorzakersprincipe uit het verdrag van Valletta gehonoreerd. Voor de tweede schijf wordt een premie toegekend ten bedrage van een bepaald percentage van de kostprijs per m². Voor de derde schijf wordt een nog hogere percentage voorzien als tegemoetkoming. De resterende bedragen per schijf, en dus van de totaalfactuur, zijn op last van de initiatiefnemer. In uitzonderlijke situaties waarbij de opgravingskost excessief is, zal de Vlaamse Overheid een opportuniteitsafweging maken over de opgraving.
Deze premies worden betaald door een op te richten archeologisch solidariteitsfonds. Dit fonds wordt bij voorkeur opgericht en beheerd door relevante partners uit de privé-sector (bouw-, immobiliën-, vastgoed- en ontginningssector) en wordt gecontroleerd door de Vlaamse overheid. Alle initiatiefnemers van vergunningsplichtige bodemingrepen, die voldoen aan de oppervlaktecriteria, dragen per ontwikkelde vierkante meter een vast bedrag af aan het fonds. Op die manier wordt de last gespreid over vele schouders en kan een beperkte bijdrage per nieuwbouwproject volstaan. Het fonds is aanspreekpunt voor de afhandeling van de premie-aanvragen, inclusief de bepaling van de toepasselijke schijven en percentages. De inning van de bijdragen aan het fonds gebeurt op een eenvoudige manier, die zo min mogelijk administratieve lasten creëert en wordt gekoppeld aan het afleveren van de stedenbouwkundige vergunning.
Schematisch ziet het ‘archeologisch proces’ er in het voorstel-Bourgeois dan als volgt uit:

Bron: Conceptnota onroerend-erfgoeddecreet (pdf)



en als dat er nu nog toe leidt dat de modale project-per-project archeoloog niet langer hoeft te werken voor wat diplomagewijze eigenlijk een habbekrats is zijn we al op de goede weg.
Maar dit landje kennende zal ik het wel niet meer meemaken.
Het bestaan van de modale project-per-project-archeoloog wordt ook door een aantal instanties/mensen in stand gehouden. Diezelfde mensen hebben soms zelfs het lef om op de barricades te gaan staan om het systeem aan te klagen. Het heeft dus niets met het landje te maken, maar alles met enkele oude gewoontes (en uiteraard dito archeologen) die moeilijk te doorbreken zijn…
In het voorstel blijft het probleem van de link tussen opdrachtgever en uitvoerder tijdens het vooronderzoek. Wiens brood men eet, wiens woord men spreekt…
Bovendien is en blijft er een groot verschil in de kostprijs per vierkante meter. Dat werd uitgezocht en varieerde van enkele euro’s tot bijvoorbeeld 450 euro… Hoe dat in de praktijk zal worden opgelost, is mij een raadsel.
Voorstel is niet nieuw uiteraard en gaat ook al een tijdje mee. Opvallend dat hier in de vorige legislatuur geen consensus over was en nu blijkbaar wel… Benieuwd hoe dit in de praktijk zal gaan werken (bv. verdeling van schijven, bijvoorbeeld hantering van 300 vierkante meter (bv. hoe pak je dit aan in een verkaveling met percelen van minder dan 300 vierkante meter enz.)
Geen idee wie dat dan heeft uitgezocht, maar een kostprijs van 450 euro per vierkante meter ben ik nog nooit tegen gekomen (dat zou 4.500.000 euro per hectare betekenen…). En wat betreft die verkaveling met percelen van minder dan 300 m²: de eerste stap in een ontwikkelingstraject is de verkavelingsvergunning, en daar geldt dus de totale omvang van de verkaveling als oppervlaktenorm. Loten van minder dan 300 m² maken bovendien maar 4% uit van alle verkavelde loten in Vlaanderen. En verkavelingen van minder dan 300 m², dat zijn er een zestal per jaar. In een kosten-baten analyse lijkt dit nog wel best mee te vallen.
@cijfers
450 euro was de kostprijs voor een onderzoek in de Tongerse binnenstad.
Wat die verkavelingsvergunningen betreft: zie het recente geval van Harelbeke en je weet meteen waar het schoentje knelt… Daar ging het over een groot perceel.
Archeologische voorwaarden: 0 want niet of nauwelijks in CAI, terwijl het om een zone ging die midden in de vicus was gelegen…. Maar ja, evaluatiekaarten zijn volgens sommigen onmogelijk te maken. Dat is nochtans veel essentiëler dan een minimumoppervlakte bepalen.
Het is veel logischer om archeologie steeds noodzakelijk te maken. Ervoor te zorgen dat iedereen weet dat er naast zoiets als een veiligheidscoördinator ook een archeoloog moet betrokken worden…