Lezing ‘Asse – evolutie van een Romeinse nederzetting’

Op woensdag 15 december geeft Kristine Magerman aan de Onderzoekseenheid Archeologie van de K.U. Leuven een gastcollege over de Romeinse nederzetting van Asse. Tijdens haar lezing ‘Asse – evolutie van een Romeinse nederzetting in het licht van de recente opgravingsresultaten (2006-2010)’ presenteert Kristine Magerman de nieuwe inzichten met betrekking tot het Romeinse Asse op basis van haar eigen onderzoek van de afgelopen jaren. Het gastcollege start om 11 uur in de Justus-Lipsiuszaal (8ste verdiep) van het Erasmushuis, Blijde Inkomststraat 21 te Leuven. Iedereen is welkom om de lezing gratis bij te wonen.

Asse maakte in de Romeinse periode deel uit van de Civitas Nerviorum. Op basis van de numismatische gegevens en enkele voorwerpen uit de periode vóór Claudius wordt het ontstaan van de vicus mogelijk in de (laat-)Augusteïsche periode gesitueerd. Ten laatste in het midden van de 1ste eeuw n.Chr. ontwikkelde de vicus zich rond een kruispunt van Romeinse wegen. De nederzetting beschikte over een rudimentair stratennet met geplaveide wegen.

Door de talrijke bouwprogramma’s kon de Onderzoekseenheid Archeologie van de K.U. Leuven, onder leiding van Kristine Magerman, sinds 2006 onafgebroken archeologisch onderzoek uitvoeren in de noordoostelijke rand van Romeinse nederzetting. De meest opvallende sporen waren de soms uitstekend bewaarde restanten van Romeinse wegen (foto onder). In 2009 en 2010 werden de zware funderingen van minstens twee indrukwekkende gebouwcomplexen vrijgelegd. De funderingen waren opgebouwd uit rolkeien en grote blokken kalkzandsteen. Vermoed wordt dat deze gebouwen een belangrijke residentiële of publieke functie bekleedden binnen de vicus. Hoewel eenduidige sporen van een tempelcomplex ontbreken, wijst het archeologisch materiaal, zoals bronzen en pijpaarden godenbeeldjes, paardenfigurines, een Mercuriusvaas en andere vondsten op het belang van de religieuze beleving binnen de nederzetting.

De economische activiteiten speelden een belangrijke rol in de ontwikkeling van de nederzetting. Zo konden er de afgelopen jaren vier goed bewaarde pottenbakkersovens (foto rechtsboven) en een kuil gevuld met duizenden misbaksels onderzocht worden. De productie uit de tweede helft van de 2de eeuw n.Chr. bestond uit kommen, borden, bekers, kleine amforen en dolia. Een grote groep grondsporen bestond echter uit Romeinse greppels, grachten en kuilen waarvan de oorspronkelijke functie niet altijd duidelijk is. Sommige werden geïnterpreteerd als silo, leemwinningskuil of als afzonderlijke paalkuil. Daarnaast werden nog drie waterputten aangetroffen, waarvan minstens één met een eikenhouten bekisting.

Uit de laat-Romeinse periode dateert een gemiddeld 50 cm dikke afvallaag (dark earths) die de meeste Romeinse sporen, inclusief de Romeinse wegen en de uitgebroken funderingen, afdekte. Het blijft onduidelijk hoe deze zone van de Romeinse nederzetting er in de 4de en 5de eeuw uitzag. Uit de 6de eeuw dateren enkele Merovingische graven die in de meest noordelijke zone van de vicus werden aangetroffen.

Share

Geen reacties

Reageer