Oppidum van de Aduatuci ligt in Thuin (Henegouwen)

Oppidum van de Aduatuci ligt in Thuin (Henegouwen)

Op een persconferentie in Tongeren werd deze voormiddag de locatie van het door Caesar vermelde oppidum van de Aduatuci bekendgemaakt. Volgens de onderzoekers lag dit oppidum in het ‘Bois du Grand Bon Dieu’ in Thuin (Henegouwen). De identificatie van de locatie kaderde in het onderzoek naar Keltische goudschatten in de Lage Landen, uitgevoerd door onderzoekers van het de VU Amsterdam, de KU Leuven, het Gallo-Romeins Museum en het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium.

Voor de locatie van het oppidum in Thuin pleiten de volgende argumenten:
- de aanwezigheid ter plekke van resten van een versterkte nederzetting uit de Late IJzertijd die een terrein van 13 hectare omsluit;
- de topografie van de fortificatie komt treffend overeen met de beschrijving die Caesar van het oppidum van de Aduatuci geeft;
- de ontdekking van enkele concentraties loden Romeinse slingerkogels, die bewijzen dat deze versterking daadwerkelijk belegerd is geweest door het Romeinse leger;
- de vondst van drie goudschatten bij de versterking die alle in de vroege jaren 50 v.Chr. zijn begraven;
- de ligging van Thuin in het vermoedelijke woongebied van de Aduatuci.

Plattegrond van de versterking te Thuin met daarop aangegeven de locaties van de gevonden goudschatten (nrs. 1-3) en de plekken (kruisjes) waar loden Romeinse slingerkogels zijn ontdekt:

Tekening Vrije Universiteit Amsterdam

Share

23 reacties

  1. [...] de Aduatuci belegerde en onderwierp. Het gaat om het antieke heuvelfort ten zuiden van het stadje Thuin, even ten westen van Charleroi. Dit is het leukste archeologische nieuws uit de Benelux in [...]

  2. w.v.beuzekom says:

    leuk en verrassend nieuws!!!!Bedankt en een mooi weekeinde gewenst!

  3. Kris P. says:

    Inderdaad leuk en verrassend! Eindelijk één van de plekken uit die verhalen geidentificeerd op een wetenschappelijke manier.
    Ben wel verbaasd dat ze zo zuidelijk zaten. Blijkbaar eerder langs de Samber zuidelijk van Namen dan langs de Maas noordelijk van Namen.

    En nu kunnen er andere speculaties beginnen he :
    - duidt het onderste kruisje op de plaats waar de Atuatuci hebben geprobeerd om uit te breken?
    - wil dit zeggen dat het Romeinse basiskamp aan de andere kant lag naast de Samber (Caesar vermeld dat ze langs de zwakste kant proberen uit te breken)?
    - waar ligt het slagveld bij de Sabis, want dat is minstens 2 dagen marcheren van die plek (dus toch Saulzoir op een goei 75km)? Rombout met zijn suggestie voor La Louviere kunnen we in elk geval nu wel definitief schrappen. Dat grenst nl. aan hun gebied (als het er al niet in lag).

  4. Dag Kris P.

    Saulzoir heeft nooit ter discussie gestaan; het topografisch en etymologisch bewijs (Sabis > Save > Seva > Savelle > Selle) in combinatie met het feit dat hier al sinds de Bronstijd een weg lag (zie de rijen grafheuvels), geven een ijzersterk bewijs.

    Ik vind het verhaal over Thuin overtuigend, al vind ik het argument dat het plaatsje ligt “in het vermoedelijke woongebied van de Aduatuci” wat wonderlijk, aangezien de Aduatuci de afgelopen vier eeuwen steeds zwierven naar de plek waar de dienstdoende lokaalpatriot hun heuvelfort wilde zoeken. Misschien hebben ze eigen munten geslagen?

    Jona

  5. willem says:

    Verrassend ?
    Dat wisten we al jaren …… dat er geen Kelten wonen in Vlaanderen noch in Vlaams Brabant …… dat de taalgrens al meer dan 2500 jaar oud is …… dat de Franken niet over de Rijn komen maar over de Rhenus (lees Schelde) en dat de concentratie van hun drie-ledige kouters ingedeeld in de leefbare mansus en hun inga- hem- sala-namen, in Vlaams Brabant ligt en niet in Duitsland……. wanneer gaan ze eens eindelijk de literaire bronnen op een logische manier interpreteren ……
    Het valt sommige historici moeilijk om Albert Delahaye de helft van de waarheid toe te bedelen.

  6. Bart says:

    Heeft er iemand meer info over die slingerkogels en hun context en datering? “Amateurvondst” of wetenschappelijk opgegraven? Gepubliceerd?

  7. Kris P. says:

    Hey Jona,

    ikzelf heb ook nooit getwijfeld aan Saulzoir. Naast de argumenten die u aanhaalt is er ook de overweldigende overeenkomst van het landschap met de beschrijvingen van Caesar, en de logische strategische plaats waar de Nerviers hun vijanden zouden opwachten (de meest zuidelijke natuurlijke oost-west “verdedigingsgracht” in hun gebied).
    Ook zal nu wel eindelijk duidelijk zijn dat in Caesar’s zin “na een tocht van drie dagen door hun gebied” het gebied van de Ambiani bedoeld wordt en niet dat van de Nerviers. De ochtend van de slag vertrekt hij dus ergens in de buurt van het huidige Cambrai noordwaarts het gebied van de Nerviers in.

    Zoals je zegt in je blog : de puzzelstukjes vallen meer en meer in elkaar en dat geeft een intens bevredigend gevoel. Des te meer omdat er daardoor ook minder en minder fantasievolle theorieen kunnen gelanceerd worden.

    mvg,
    Kris

  8. Emma Grammatica says:

    Hallo Kris, de rondjes staan voor de muntschatten, de kruisjes voor de concentraties slingerkogels. Meer details, lees het boek.

  9. Misschien met metaaldetectoren een officieel onderzoek uitoefenen, systematisch over het gehele terrein? Daarna op basis van de vondsten enkele proefsleuven aanleggen, in kaart brengen van de gevechten, een nieuw museum à la Kalkriese (Varusschlacht 2009), en hop, we hebben er een fantastische archeo-site bij!
    Succes en toeristen verzekerd….

    Quintus Spurius Ligustinus

  10. Paul de Jong says:

    Is de ´grens´ tussen de Germanen en Kelten veel minder scherp dan dat er over het algemeen is aangenomen?
    Oude bronnen vermelden dat Kelten en Germanen verwant zijn aan elkaar. Er zijn wel verschillen tussen Kelten en Germanen; maar waarschijnlijk hebben beide ook overeenkomsten.

  11. H.A.. Janssen says:

    Erg laat uw interessante artikel gelezen. Emma Grammatica schrijft in haar laatste zin “Meer details, lees het boek”. Wordt hier de Gallische Oorlog bedoeld of een boek over de opgraving? Als het laatste het geval is zou u mij dan titel en eventueel het ISBN nr. kunnen mailen.

    B.v.d.

    Henk Janssen

  12. Patrick says:

    Hier kan u de link naar het boek vinden:
    http://www.archeonet.be/?p=25840

  13. Kris P. says:

    Beste Armand,

    die blog is interessant, maar gaat toch ook licht voorbij aan een aantal zaken :

    1. dat de slingerkogels buiten de vesting lagen klopt volledig met Caesar’s beschrijving van de belegering. Het zijn nl. de Atuatuci die uitvallen doen en constant moeten teruggedreven worden (BG II 30 – dit kan de kogels in de buurt van de toegang van het fort verklaren, daar waar ze niet konden gerecupereerd worden zonder zelf beschoten te worden). Later bestormen ze ‘s nachts de belegeringswerken in een poging om uit te breken (BG II 33 – dit kan de kogels ten zuiden van het fort verklaren). Het fort zelf wordt nooit door de Romeinen bestormd : de Atuatuci geven zich over wanneer ze doorkrijgen dat er een bestorming op handen is en hun verdedigingswerken geen rekening hebben gehouden met belegeringstorens (BG II 31).

    2. Over de ruimte van 2,26m2 per Aduatuuk kan ik makkelijk afleiden dat een gemiddeld gezin (2 volwassen 2 kinderen) beschikt over een 9m2, genoeg om een noodtent op te zetten. Hoe groot zijn onze kampeertenten tegenwoordig? Ermee rekening houdend dat de mannen wss constant nodig waren voor de verdediging en ofwel op de wallen stonden, ofwel dichtbij de wallen sliepen lijkt me dat genoeg voor een noodsituatie. Enorm veel voedsel voorraden zullen er inderdaad niet aanwezig zijn geweest vanwege het tijdsgebrek nav de oprukkende Romeinen. Dit kan hun snelle overgave mee verklaren.

    3. Over de dubbele wal is al veel geschreven. Er is inderdaad maar 1 wal gevonden van de grootte vermeld in de BG. Maar er is ook duidelijk (ben er nog niet geweest, maar heb de foto’s gezien) een kleinere wal voor de grotere wal. Kon een manier zijn om 2 ‘rijen’ verdedigers te hebben die allebei in actie kunnen komen bij een bestorming (de ‘hoogste’ rij heeft de vijand ook altijd in het vizier voor speren en projectielen).

    4. Ik ga ook niet direct akkoord met de stelling van het boek dat Thuin (en dus het gebied tussen Samber en Maas) tot de Atuatuci behoort. Caesar vermeld dat ze AL HUN steden opgaven en zich in 1 stad wierpen (BG II 29). Niet noodzakelijk hun stad dus..
    Het kan dus ook zijn dat ze op de terugweg van de Nerviers naar huis hals over kop (de Romeinen kwamen er aan!!) hebben besloten om zich terug te trekken in een uitstekend te verdedigen Nervische stad (fort) waar ze vlakbij langskwamen, en hun families de opdracht hebben gegeven om zich zo snel mogelijk naar daar te begeven terwijl zij ondertussen het fort voorbereidden op een belegering.

    mvg,
    Kris Platteau

    • Beste Kris
      Bedankt voor de reactie. Het is goed dat er kritisch omgegaan wordt met kritiek. “Du choc des idées jaillit la lumière”: zeg ik altijd.

      1 Wat die kogels betreft, we hebben natuurlijk geen opgravingverslag. Dat is volgens mij het zwakke punt van de beschrijving van deze vondsten. De kogels kunnen inderdaad afkomstig zijn van weerwerk tegen een aanval vanuit een poort (waarschijnlijk zijn er meerdere poorten, (zie “Postridie eius diei refractis portis”). Maar de tweede vondst met kogels blijft onverklaarbaar vanuit dit perspectief.

      2 Wat aanvangen met de mededeling dat de kogels uit een latere periode zouden stammen.

      3 Caesar schrijft dat hij een wal van ongeveer 20 km laat bouwen rondom de vesting. In de veronderstelling dat die wal rond is, heeft deze een straal van ongeveer 3 km. Deze schansen liggen wel ver, bijna drie kilometer, van het oppidum dat relatief klein is om er een schans van 20 km om heen te leggen.

      4 “Maar op het bericht van dezen slag keerden zij midden in hun mars naar huis terug, gaven al hun steden en burchten prijs en wierpen zich met al hun have in één stad, die van nature uitstekend bevestigd was.” Ze keren terug, halverwege hun opmars. Indien we de Maasvallei als hun woongebied beschouwen ligt Thuin al bijna halverwege en keren ze vandaar terug.

      5 Het lijkt onwaarschijnlijk dat ze hun bevolking verzamelen in een vooruitgeschoven post zoals Thuin (die waarschijnlijk op Nervisch gebied ligt). Een verzameling van de bevolking zal waarschijnlijk gebeuren in een centraler gelegen vesting.

      6 Wat de ”ruimte van 2,26m2 per Aduatuuk” betreft moeten we er vee en karren en andere zaken bij rekenen. De vluchtelingen moeten we dan verspreiden over alle hellingen van het kamp en zitten opgepakt tot tegen de wal. (zie bijlage Hellingen)

      7 Afhankelijk van waar de velslag aan de Sabis te vinden is zullen de Romeinen toch een week op pad zijn om het oppidum te bereiken. Reken alleen al dat ze hun doden moeten begraven, hun centuriae moeten reorganiseren wegens de verliezen, hun voorraden aanvullen. Zie DBG I 26: “(…) terwijl de onzen wegens de zorg voor de verwonden en de teraardebestelling der gesneuvelden drie dagen oponthoud hadden en hen niet konden vervolgen.” Na de opmars zijn eerst schermutselingen, daarna worden schansen gegraven, 20 km is niet niks. Dan worden de oorlogstuigen gebouwd wat routine kan zijn. Er zullen dus in het oppidum wel voorraden genoeg kunnen en moeten aanwezig zijn om heel deze periode te overbruggen. Zolang de veestapel niet opgegeten is, moeten de dieren ook voer krijgen.

      8 De Romeinen bouwen een wal om hun toren naar voren te brengen. Dit betekent dat het terrein oploopt naar de muur. We lezen ook: “(…) was zij aan één kant ter breedte van niet meer dan tweehonderd voet langs een zacht oplopende weg toegankelijk.” Aan de muur is het terrein heden ten dage vlak. Zie bijlage Toegang Bon Dieu.

      9 Ik weet niet of deze beschrijving van Caesar toepasselijk is op dit oppidum: “ Terwijl zij rondom aan alle overige kanten zeer hoge rotsen en steile wanden had, was zij aan (…).” Zie bijlage Hellingen.

      10 Die dubbele wal kan een vertaalprobleem zijn, in die zin dat hij een dubbele omvang kan gehad hebben. Dus het dubbele volume van een normale wal, een zeer grote wal dus, en dan is één wal voldoende.

      11 De toegang tot Grand Bon Dieu is wel ongeveer zoals Caesar schrijft: “(…) niet meer dan tweehonderd voet.”

    • Geert Vandeplassche says:

      Beste Kris,

      Wat jouw punt 4 betreft dat de Atuatuci zich niet noodzakelijk in hun oppidum terugtrokken, dit klopt m.i. niet met DBG II, 29 waar staat: hunc sibi domicilio locum delegerunt. Deze plaats (d.w.z. unum oppidum) kozen ze voor zich als thuis, als woonplaats. (voor “domicilium” zie Lewis and Short http://www.perseus.tufts.edu/hopper/text?doc=Perseus%3Atext%3A1999.04.0060%3Aentry%3Ddomicilium)

      Mvg,
      Geert

      • Kris P. says:

        Dag Geert,

        dat slaat m.i. niet op het oppidum, maar op ‘de streek aan deze kant van de Rijn’ waar ze zich vestigden. Volgens mij hoef je uit de BGII 29 niet af te leiden dat het belegerde oppidum (of de directe streek errond) de plek is waar de Kimbren en Teutonen een wachtpost achterlieten.

        Ik opperde gewoon een mogelijke uitleg waarom Thuin wel het oppidum kon zijn waar de Atuatuci zich verschansten tegen Caesar, terwijl het misschien niet in hun gebied lag.
        Dus als blijkt dat Thuin eerder in Nervier gebied lag, dat dat geen contradictie hoeft te zijn die de stelling van het boek ondergraaft.

        Het enige dat dat m.i. wel gaat kunnen doen is de datering van de slingerkogels, zoals aangegeven door Armand Sermon in zijn blog. Als die daadwerkelijk jonger blijken te zijn, vervalt één van de sterkste aanwijzingen voor de identificatie.

        mvg,
        Kris Platteau

  14. Geert Vandeplassche says:

    Kris,

    Wat jij zegt is m.i. verdedigbaar,
    maar in DBG II, 29 staat ook:

    Atuatuci, de quibus supra diximus, cum omnibus copiis auxilio Nerviis venirent, hac pugna nuntiata, ex itinere domum reverterunt.

    Zij keerden naar huis terug.

    2 Cunctis oppidis castellisque desertis, sua omnia in unum oppidum, egregie natura munitum, contulerunt.
    Dan verlaten zij al hun (staat er niet in het Latijn, maar wat kan het anders zijn?) oppida en castella en brengen al hun bezittingen naar één oppidum.

    Mvg,
    Geert

  15. Geert Vandeplassche says:

    Ik stuitte een tijdje geleden op een oud boek van Adrien Hock, die het oppidum van de Aduatuci op de Mont Falhize situeert, zeer interessante en voertuigende lectuur: zie http://archive.org/stream/tudessurquelque00hookgoog#page/n9/mode/2up (om het boek in pdf te downloaden op het “I” icoon klikken.
    De Duitse generaal von Goëler situeerde het ook daar.
    Napoleon III, die zoals zijn identificatie van het kamp van Caesar aan de Axona in Mauchamp aantoont, lokaliseerde het oppidum van de Atuatuci niet op de mont Falhize omdat hij met verkeerde afmetingen werkte: ten onrechte ging hij ervan uit dat de omwalling rond dat oppidum die Caesar liet aanlegggen 30 000 voet was, ipv mijl.

    Ik wil er op dit forum overigens de aandacht op vestigen dat wat de driehoek van de winterkampen in BG betreft de afstanden tussen Kanne (Cotta en Sabinus), Namen (Hastedon) Cicero en Bérisménil (Labienus) perfect overeenkomen met hegeen Caesar schrijft.
    Voor sommigen vormt het een probleem dat de Treviri niet in de provincie Luxemburg te situeren zijn maar dat wordt tegengesproken door de verschillende muntvondsen van Treviri-munten de type belge niet zo ver van Bérismenil. Ook Scheers verwondert er zich in haar studie over de Eburonen over dat in de prov. Lux. zoveel Treviri geld is gevonden.
    Caesar schrijft dat Labienus zich in een confinium, dwz een gemeenschappelijk woongebied van de Remi en Treveri bevindt. Op basis van het grondgebied van de Eburones zoals afgebeeld op het kaartje in “Gold Hoardings” op basis van het verspreidignsgebied van de munten de type belge van de Eburonen, kan men stellen dat dit confinium ten zuiden van hun woongebied gelegen heeft, dus vanf de lijn onder Luik en de monding vande Ourthe.

    Ik geeft deze bevindingen ter overweging van de liefhebbers, want mijn onderzoek is momenteel beëindigd.

    Geert

    • Geert Vandeplassche says:

      Door omstandigheden kwam mij vorige tekst te snel op Archeonet. Hierbij de bedoelde versie.

      1. Ik stuitte een tijdje geleden op een oud boek van Adrien Hock, die het oppidum van de Aduatuci op de Mont Falhize situeert, zeer interessante en overtuigende lectuur: zie http://archive.org/stream/tudessurquelque00hookgoog#page/n9/mode/2up (om het boek in pdf te downloaden op het “I” icoon klikken).
      De Duitse generaal von Goëler situeerde het ook daar.
      Napoleon III, die zoals zijn identificatie van de kampen van Caesar aan de Axona in Mauchamp en in de Bourgogne aantoont, een goede neus had voor het opsporen van Caesarlokaties, lokaliseerde het oppidum van de Atuatuci niet op de mont Falhize omdat hij met verkeerde afmetingen werkte: ten onrechte ging hij ervan uit dat de omwalling rond dat oppidum die Caesar liet aanlegggen 15 000 voet was, ipv mijl. Om die reden lokaliseerde hij het in Hastedon (Namen).
      Ik wil er op dit forum overigens de aandacht op vestigen dat wat de driehoek van de winterkampen in BG betreft de afstanden tussen Kanne (Cotta en Sabinus), Namen (Hastedon) (Cicero) en Bérisménil (Le Cheslé)(Labienus) perfect overeenkomen met hegeen Caesar schrijft.
      Voor sommigen vormt het een probleem dat de Treviri niet in de provincie Luxemburg te situeren zijn maar dat wordt tegengesproken door de verschillende muntvondsen van Treviri-munten de type belge niet zo ver van Bérismenil. Ook Scheers verwondert er zich in haar studie over het grondgebied van de Eburonen over dat in de prov. Lux. zoveel Treviri-geld is gevonden: Des statères trévires ont également été recueillis à Longchamps
      (It:i) et Tavigny. Ce dernier site est intéressant car il a livré
      uniquement des monnaies trévires: un statère à la lyre (Scheers 54),
      deux statères à l’oeil (classe IV et V), trois quinaires (Scheers 54 et
      55) et deux potins trévires (Scheers 200 et 201) CH). Comment interpréter
      cette présence trévire exclusive dans une région qui n’a pas
      son propre numéraire? Est-elle due à la proximité du pays trévire, à
      la présence d’un sanctuaire de frontière ou cette région faisait-elle à
      l’origine partie du pays trévire? http://www.numisbel.be/1996_1.pdf.
      Caesar schrijft dat Labienus zich in een confinium, dwz een gemeenschappelijk woongebied van de Remi en Treveri bevindt. Op basis van het grondgebied van de Eburones zoals afgebeeld op het kaartje in “Gold Hoardings” op basis van het verspreidingsgebied van de munten de type belge van de Eburonen, is het mogelijk dat dit confinium ten zuiden van hun woongebied gelegen heeft, dus vanaf de lijn onder Luik en de monding van de Ourthe.
      Daartussen lagen dan waarschijnlijk de Condrusi en Segni.
      Heeft Labienus, belaagd door de Treveri, misschien bij de Condrusi en Segni ruiters betrokken zoals in BG beschreven wordt (BG V, 58)?
      In de Belgische provincie Luxemburg is trouwens ook heel wat Remi-geld de type belge gevonden. Zou het feit dat de prov. Lux een gemeenschappelijk gebied van de Treviri en Remi was de oorzaak zijn van de hele discussie rond de roulerende toewijzing van de verschillende typen van de”statères à l’oeil” aande Treviri en Remi? http://www.academia.edu/2364216/En_coll._avec_Charlotte_SILLON_et_Sylvia_NIETO-PELLETIER_Archeologie_et_numismatique_gauloise_une_contribution_du_Cabinet_des_Medailles_de_Bruxelles_a_lhistoire_des_Remes_et_des_Trevires
      Ik geeft deze bevindingen ter overweging van de liefhebbers, want mijn onderzoek is momenteel beëindigd.
      Geert

  16. Geert Vandeplassche says:

    Ik heb voorgaand artikel wat verbeterd en uitgewerkt en op een blog gezet.

    http://www.bloggen.be/belgae/

  17. Ik ben zo vrij hier ruchtbaarheid te geven aan mijn nieuwe blog, want mijn oude is door omstandigheden in de ether verdwenen.

    Mvg,
    Geert

    http://www.bloggen.be/bg/

Reageer